Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR5423

Datum uitspraak2004-11-10
Datum gepubliceerd2004-11-10
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200402859/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 25 augustus 2003 heeft verweerder van rechtswege ingestemd met het verzoek van appellante van 26 mei 2003 tot wijziging van het saneringplan van september 1998 voor het geval van bodemverontreiniging aan de Krommendijk te Almelo, waarmee bij besluit van 22 september 1998 is ingestemd.


Uitspraak

200402859/1. Datum uitspraak: 10 november 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], gevestigd te [plaats], en het college van burgemeester en wethouders van Almelo, verweerder. 1.    Procesverloop Bij besluit van 25 augustus 2003 heeft verweerder van rechtswege ingestemd met het verzoek van appellante van 26 mei 2003 tot wijziging van het saneringplan van september 1998 voor het geval van bodemverontreiniging aan de Krommendijk te Almelo, waarmee bij besluit van 22 september 1998 is ingestemd. Bij besluit van 24 februari 2004, kenmerk 2003/33328, verzonden op 27 februari 2004, heeft verweerder het hiertegen door de [belanghebbende] gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 25 augustus 2003 herroepen. Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 6 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 7 april 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 mei 2004. Bij brief van 10 juni 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Na afsluiting van het vooronderzoek zijn nadere stukken van de bezwaarmaker en van verweerder ontvangen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 september 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J.J.Th. Bouma, advocaat te Enschede, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Klutman en ing. Wiltvank, ambtenaren van de gemeente zijn verschenen. Tevens is namens bezwaarmaker mr. R.T. Kirpestein, gemachtigde, als partij gehoord. 2.    Overwegingen 2.1.    Appellante voert aan dat verweerder het op 7 oktober 2003 door [belanghebbende] ingediende bezwaarschrift niet-ontvankelijk had moeten verklaren omdat dit bezwaar te laat was ingediend. 2.1.1.    Verweerder stelt in het verweerschrift dat hij bij nader inzien van mening is dat dit inderdaad het geval is. Uit een door verweerder ingezonden nader stuk blijkt dat hij op 24 augustus 2004, kenmerk 2004/25686, het oude besluit heeft ingetrokken en een nieuw besluit heeft genomen waarin het bezwaar van [belanghebbende] ongegrond wordt verklaard. 2.1.2.    De Afdeling stelt vast dat uit de stukken en het verhandelde te zitting blijkt dat verweerder op grond van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht een nieuw besluit heeft genomen waarin geheel aan appellante tegemoet wordt gekomen. Gelet hierop en nu noch ter zitting, noch anderszins is gebleken van feiten of omstandigheden die op het tegendeel wijzen, is de Afdeling van oordeel dat appellante geen processueel belang meer heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het onderhavige besluit. Het beroep moet derhalve reeds om deze reden niet-ontvankelijk worden verklaard. 2.2.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat. w.g. Hirsch Ballin    w.g. Klap Voorzitter    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2004 315.